Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.