Woordenlijst
Litouws – Werkwoorden oefenen
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
doorgaan
Kan de kat door dit gat gaan?
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
drinken
Ze drinkt thee.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
slapen
De baby slaapt.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
reizen
We reizen graag door Europa.