Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
bidden
Hij bidt in stilte.
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
eten
Wat willen we vandaag eten?
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.