Woordenlijst
Catalaans – Werkwoorden oefenen
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
werken
Ze werkt beter dan een man.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
overnachten
We overnachten in de auto.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.