Woordenlijst
Arabisch – Werkwoorden oefenen
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
haten
De twee jongens haten elkaar.
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
beginnen
De soldaten beginnen.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
smaken
Dit smaakt echt goed!