Woordenlijst
Arabisch – Werkwoorden oefenen
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.