Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
destroy
The tornado destroys many houses.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
log in
You have to log in with your password.
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
think
Who do you think is stronger?
denken
Wie denk je dat sterker is?
handle
One has to handle problems.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
miss
The man missed his train.
missen
De man heeft zijn trein gemist.
transport
The truck transports the goods.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
pick
She picked an apple.
plukken
Ze plukte een appel.
pull out
How is he going to pull out that big fish?
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
persuade
She often has to persuade her daughter to eat.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
talk badly
The classmates talk badly about her.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
look at
On vacation, I looked at many sights.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.