Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
log in
You have to log in with your password.
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
serve
The waiter serves the food.
serveren
De ober serveert het eten.
stop by
The doctors stop by the patient every day.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
look
She looks through binoculars.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
push
They push the man into the water.
duwen
Ze duwen de man het water in.
cause
Sugar causes many diseases.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
practice
The woman practices yoga.
oefenen
De vrouw beoefent yoga.
come home
Dad has finally come home!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
let in front
Nobody wants to let him go ahead at the supermarket checkout.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
move
My nephew is moving.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
divide
They divide the housework among themselves.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.