Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
set
You have to set the clock.
instellen
Je moet de klok instellen.
chat
Students should not chat during class.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
use
We use gas masks in the fire.
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
wash up
I don’t like washing the dishes.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
manage
Who manages the money in your family?
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
lie
He often lies when he wants to sell something.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
miss
I will miss you so much!
missen
Ik zal je zo erg missen!
have breakfast
We prefer to have breakfast in bed.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
check
The dentist checks the teeth.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
cut out
The shapes need to be cut out.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
run away
Our son wanted to run away from home.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.