Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
reward
He was rewarded with a medal.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
turn around
You have to turn the car around here.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
carry
They carry their children on their backs.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
say goodbye
The woman says goodbye.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
like
The child likes the new toy.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
throw
He throws the ball into the basket.
wachten
Ze wacht op de bus.
wait
She is waiting for the bus.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
arrive
Many people arrive by camper van on vacation.
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
lose
Wait, you’ve lost your wallet!
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
increase
The population has increased significantly.
plukken
Ze plukte een appel.
pick
She picked an apple.