Wortschatz
Lernen Sie Verben – Niederländisch
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parken
Die Autos sind in der Tiefgarage geparkt.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
verweigern
Das Kind verweigert sein Essen.
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
beschreiben
Wie kann man Farben beschreiben?
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
schicken
Ich habe dir eine Nachricht geschickt.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
bitten
Er bittet sie um Verzeihung.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
putzen
Der Arbeiter putzt das Fenster.
vernietigen
De bestanden worden volledig vernietigd.
vernichten
Die Akten werden komplett vernichtet.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
bearbeiten
Er muss alle diese Akten bearbeiten!
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
vergeben
Er hat die Chance auf ein Tor vergeben.
binnenkomen
Kom binnen!
eintreten
Treten Sie ein!
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
pleitegehen
Der Betrieb wird wohl bald pleitegehen.