Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/91147324.webp
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
belønne
Han blev belønnet med en medalje.
cms/verbs-webp/115113805.webp
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
chatte
De chatter med hinanden.
cms/verbs-webp/123844560.webp
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
beskytte
En hjelm skal beskytte mod ulykker.
cms/verbs-webp/75281875.webp
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
tage sig af
Vores pedel tager sig af snerydningen.
cms/verbs-webp/93792533.webp
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
betyde
Hvad betyder dette våbenskjold på gulvet?
cms/verbs-webp/85010406.webp
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
springe over
Atleten skal springe over forhindringen.
cms/verbs-webp/75001292.webp
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
køre afsted
Da lyset skiftede, kørte bilerne afsted.
cms/verbs-webp/5161747.webp
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
fjerne
Gravemaskinen fjerner jorden.
cms/verbs-webp/88615590.webp
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
beskrive
Hvordan kan man beskrive farver?
cms/verbs-webp/8482344.webp
kussen
Hij kust de baby.
kysse
Han kysser babyen.
cms/verbs-webp/103163608.webp
tellen
Ze telt de munten.
tælle
Hun tæller mønterne.
cms/verbs-webp/101742573.webp
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
male
Hun har malet sine hænder.