Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/120254624.webp
leiden
Hij leidt graag een team.
lei
Hy geniet dit om ’n span te lei.
cms/verbs-webp/90032573.webp
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
weet
Die kinders is baie nuuskierig en weet reeds baie.
cms/verbs-webp/95056918.webp
leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.
lei
Hy lei die meisie aan die hand.
cms/verbs-webp/8482344.webp
kussen
Hij kust de baby.
soen
Hy soen die baba.
cms/verbs-webp/110322800.webp
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
sleg praat
Die klasmaats praat sleg van haar.
cms/verbs-webp/86064675.webp
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
druk
Die motor het gestop en moes gedruk word.
cms/verbs-webp/75487437.webp
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
lei
Die mees ervare stapper lei altyd.
cms/verbs-webp/123211541.webp
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
sneeu
Dit het vandag baie gesneeu.
cms/verbs-webp/128782889.webp
verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
verbaas
Sy was verbaas toe sy die nuus ontvang het.
cms/verbs-webp/120128475.webp
denken
Ze moet altijd aan hem denken.
dink
Sy moet altyd aan hom dink.
cms/verbs-webp/84506870.webp
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
dronk raak
Hy raak amper elke aand dronk.
cms/verbs-webp/122632517.webp
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
verkeerd gaan
Alles gaan vandag verkeerd!