Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/120200094.webp
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
mescolare
Puoi fare un’insalata sana mescolando verdure.
cms/verbs-webp/78073084.webp
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
sdraiarsi
Erano stanchi e si sono sdraiati.
cms/verbs-webp/111750395.webp
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
tornare
Lui non può tornare indietro da solo.
cms/verbs-webp/103797145.webp
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
assumere
L’azienda vuole assumere più persone.
cms/verbs-webp/86215362.webp
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
inviare
Questa azienda invia merci in tutto il mondo.
cms/verbs-webp/93697965.webp
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
girare
Le auto girano in cerchio.
cms/verbs-webp/117421852.webp
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
diventare amici
I due sono diventati amici.
cms/verbs-webp/116358232.webp
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
accadere
È accaduto qualcosa di brutto.
cms/verbs-webp/66787660.webp
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
dipingere
Voglio dipingere il mio appartamento.
cms/verbs-webp/103163608.webp
tellen
Ze telt de munten.
contare
Lei conta le monete.
cms/verbs-webp/68841225.webp
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
capire
Non riesco a capirti!
cms/verbs-webp/99725221.webp
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
mentire
A volte si deve mentire in una situazione di emergenza.