Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
gagner
Il essaie de gagner aux échecs.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
imiter
L’enfant imite un avion.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
entrer
Le métro vient d’entrer en gare.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
économiser
Mes enfants ont économisé leur propre argent.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
exercer
Elle exerce une profession inhabituelle.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
s’asseoir
Elle s’assied au bord de la mer au coucher du soleil.
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
ouvrir
L’enfant ouvre son cadeau.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
ressentir
La mère ressent beaucoup d’amour pour son enfant.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
pousser
Ils poussent l’homme dans l’eau.
duwen
Ze duwen de man het water in.
peindre
Il peint le mur en blanc.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
se présenter
Tout le monde à bord se présente au capitaine.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.