Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/113248427.webp
gagner
Il essaie de gagner aux échecs.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
cms/verbs-webp/125088246.webp
imiter
L’enfant imite un avion.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
cms/verbs-webp/71612101.webp
entrer
Le métro vient d’entrer en gare.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
cms/verbs-webp/26758664.webp
économiser
Mes enfants ont économisé leur propre argent.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
cms/verbs-webp/859238.webp
exercer
Elle exerce une profession inhabituelle.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
cms/verbs-webp/106622465.webp
s’asseoir
Elle s’assied au bord de la mer au coucher du soleil.
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
cms/verbs-webp/74119884.webp
ouvrir
L’enfant ouvre son cadeau.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
cms/verbs-webp/106665920.webp
ressentir
La mère ressent beaucoup d’amour pour son enfant.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
cms/verbs-webp/23257104.webp
pousser
Ils poussent l’homme dans l’eau.
duwen
Ze duwen de man het water in.
cms/verbs-webp/96571673.webp
peindre
Il peint le mur en blanc.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
cms/verbs-webp/82845015.webp
se présenter
Tout le monde à bord se présente au capitaine.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
cms/verbs-webp/121928809.webp
renforcer
La gymnastique renforce les muscles.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.