Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
waag
Hulle het gewaag om uit die vliegtuig te spring.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
stuur
Hy stuur ’n brief.
sturen
Hij stuurt een brief.
slaan
Ouers moenie hul kinders slaan nie.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
oes
Ons het baie wyn geoest.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
behoort
My vrou behoort aan my.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
stap
Hy hou daarvan om in die woud te stap.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
eet
Wat wil ons vandag eet?
eten
Wat willen we vandaag eten?
oornag
Ons oornag in die kar.
overnachten
We overnachten in de auto.
veroorsaak
Alkohol kan kopseer veroorsaak.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
soek na
Die polisie soek na die dader.
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
klink
Haar stem klink fantasties.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.