Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
appeler
Le garçon appelle aussi fort qu’il peut.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
jeter
Il jette son ordinateur avec colère sur le sol.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
faire confiance
Nous nous faisons tous confiance.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
travailler pour
Il a beaucoup travaillé pour ses bonnes notes.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
appuyer
Il appuie sur le bouton.
drukken
Hij drukt op de knop.
entrer
Il entre dans la chambre d’hôtel.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
arrêter
Je veux arrêter de fumer dès maintenant!
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
disparaître
De nombreux animaux ont disparu aujourd’hui.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
attendre avec impatience
Les enfants attendent toujours la neige avec impatience.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
partir
Nos invités de vacances sont partis hier.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
regarder
Tout le monde regarde son téléphone.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.