Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
interroger
Mon professeur m’interroge souvent.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
endommager
Deux voitures ont été endommagées dans l’accident.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
récolter
Nous avons récolté beaucoup de vin.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
renverser
Un cycliste a été renversé par une voiture.
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
courir
Elle court tous les matins sur la plage.
produceren
We produceren onze eigen honing.
produire
Nous produisons notre propre miel.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.
penser
Elle doit toujours penser à lui.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
choisir
Elle choisit une nouvelle paire de lunettes de soleil.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
mentionner
Le patron a mentionné qu’il le licencierait.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
décider
Elle ne peut pas décider quels chaussures porter.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
changer
Le mécanicien automobile change les pneus.