Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
parler à
Quelqu’un devrait lui parler ; il est si seul.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
envoyer
Cette entreprise envoie des marchandises dans le monde entier.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
aimer
Elle aime beaucoup son chat.
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
transporter
Nous transportons les vélos sur le toit de la voiture.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
sonner
Entends-tu la cloche sonner?
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
s’habituer
Les enfants doivent s’habituer à se brosser les dents.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
craindre
Nous craignons que la personne soit gravement blessée.
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
toucher
Il la touche tendrement.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
décider
Elle ne peut pas décider quels chaussures porter.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
diriger
Il aime diriger une équipe.
leiden
Hij leidt graag een team.
prier
Il prie silencieusement.
bidden
Hij bidt in stilte.