Woordenlijst

Leer werkwoorden – Portugees (PT)

cms/verbs-webp/81986237.webp
misturar
Ela mistura um suco de frutas.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
cms/verbs-webp/63244437.webp
cobrir
Ela cobre seu rosto.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
cms/verbs-webp/106279322.webp
viajar
Gostamos de viajar pela Europa.
reizen
We reizen graag door Europa.
cms/verbs-webp/78973375.webp
obter um atestado
Ele precisa obter um atestado médico do doutor.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
cms/verbs-webp/120282615.webp
investir
Em que devemos investir nosso dinheiro?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
cms/verbs-webp/47062117.webp
se virar
Ela tem que se virar com pouco dinheiro.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
cms/verbs-webp/51465029.webp
atrasar
O relógio está atrasado alguns minutos.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
cms/verbs-webp/88597759.webp
pressionar
Ele pressiona o botão.
drukken
Hij drukt op de knop.
cms/verbs-webp/102168061.webp
protestar
As pessoas protestam contra a injustiça.
protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.
cms/verbs-webp/1502512.webp
ler
Não consigo ler sem óculos.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
cms/verbs-webp/118826642.webp
explicar
Vovô explica o mundo ao seu neto.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
cms/verbs-webp/120978676.webp
queimar
O fogo vai queimar muito da floresta.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.