Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/120282615.webp
investire
In cosa dovremmo investire i nostri soldi?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
cms/verbs-webp/86710576.webp
partire
I nostri ospiti di vacanza sono partiti ieri.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
cms/verbs-webp/132305688.webp
sprecare
L’energia non dovrebbe essere sprecata.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
cms/verbs-webp/123179881.webp
allenarsi
Lui si allena ogni giorno con il suo skateboard.
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
cms/verbs-webp/118026524.webp
ricevere
Posso ricevere una connessione internet molto veloce.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
cms/verbs-webp/112755134.webp
chiamare
Lei può chiamare solo durante la pausa pranzo.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
cms/verbs-webp/77572541.webp
rimuovere
L’artigiano ha rimosso le vecchie piastrelle.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
cms/verbs-webp/40094762.webp
svegliare
La sveglia la sveglia alle 10 del mattino.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
cms/verbs-webp/107299405.webp
chiedere
Lui le chiede perdono.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
cms/verbs-webp/114379513.webp
coprire
Le ninfee coprono l’acqua.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
cms/verbs-webp/92612369.webp
parcheggiare
Le biciclette sono parcheggiate davanti alla casa.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
cms/verbs-webp/111750432.webp
appendere
Entrambi sono appesi a un ramo.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.