Woordenlijst
Leer werkwoorden – Litouws
reikėti
Aš ištroškęs, man reikia vandens!
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
pramisti
Ji pramisė svarbų susitikimą.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
plaukti
Ji nuolat plaukioja.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
būti pirmam
Sveikata visada būna pirmoje vietoje!
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
gyventi kartu
Abi planuoja greitu metu gyventi kartu.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
bučiuoti
Jis bučiuoja kūdikį.
kussen
Hij kust de baby.
rūpintis
Mūsų sūnus labai rūpinasi savo nauju automobiliu.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
prarasti
Palauk, tu praradai savo piniginę!
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
grįžti
Tėvas grįžo iš karo.
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
dažyti
Jis dažo sieną balta.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
pasirinkti
Ji pasirinko obuolį.
plukken
Ze plukte een appel.