Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
appeler
La fille appelle son amie.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
mélanger
Vous pouvez mélanger une salade saine avec des légumes.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
entrer
Il entre dans la chambre d’hôtel.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
arrêter
La femme arrête une voiture.
stoppen
De vrouw stopt een auto.
penser
Elle doit toujours penser à lui.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.
faire demi-tour
Il faut faire demi-tour avec la voiture ici.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
reculer
Bientôt, nous devrons reculer l’horloge.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
frapper
Elle frappe la balle par-dessus le filet.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
exercer
Elle exerce une profession inhabituelle.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
contenir
Le poisson, le fromage, et le lait contiennent beaucoup de protéines.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
endommager
Deux voitures ont été endommagées dans l’accident.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.