Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.