Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
wassen
De moeder wast haar kind.
luisteren
Hij luistert naar haar.
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
wachten
We moeten nog een maand wachten.