Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
walgen van
Ze walgde van spinnen.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.