Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
schilderen
Hij schildert de muur wit.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
sturen
Ik stuur je een brief.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.