Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
blind worden
De man met de badges is blind geworden.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.