Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
kussen
Hij kust de baby.
studeren
De meisjes studeren graag samen.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
proeven
De chef-kok proeft de soep.