Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
vermijden
Hij moet noten vermijden.