Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/91367368.webp
pasear
La familia pasea los domingos.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
cms/verbs-webp/74908730.webp
causar
Demasiadas personas causan rápidamente un caos.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
cms/verbs-webp/55128549.webp
lanzar
Él lanza la pelota en la canasta.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
cms/verbs-webp/118868318.webp
gustar
A ella le gusta más el chocolate que las verduras.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
cms/verbs-webp/121264910.webp
cortar
Para la ensalada, tienes que cortar el pepino.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
cms/verbs-webp/123619164.webp
nadar
Ella nada regularmente.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
cms/verbs-webp/92456427.webp
comprar
Quieren comprar una casa.
kopen
Ze willen een huis kopen.
cms/verbs-webp/65199280.webp
correr tras
La madre corre tras su hijo.
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
cms/verbs-webp/75281875.webp
encargarse de
Nuestro conserje se encarga de la eliminación de nieve.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
cms/verbs-webp/104759694.webp
esperar
Muchos esperan un futuro mejor en Europa.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
cms/verbs-webp/123786066.webp
beber
Ella bebe té.
drinken
Ze drinkt thee.
cms/verbs-webp/96710497.webp
superar
Las ballenas superan a todos los animales en peso.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.