Vortprovizo
Lernu Verbojn – nederlanda
sturen
Hij stuurt een brief.
sendi
Li sendas leteron.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
akcepti
Iuj homoj ne volas akcepti la veron.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
eliri
La infanoj finfine volas eliri eksteren.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
elekti
Ŝi elektas novan paron da sunokulvitroj.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
fiksi
La dato estas fiksata.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
pensi
Vi devas multe pensi en ŝako.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
okazi
Io malbona okazis.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
puŝi
La flegistino puŝas la pacienton en rulseĝo.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
surpaŝi
Li surpaŝas ĵetitan bananan ŝelon.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
veturi tra
La aŭto veturas tra arbo.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
komenti
Li komentas politikon ĉiutage.