Vortprovizo
Lernu Verbojn – nederlanda
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
naĝi
Ŝi regule naĝas.
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
influi
Ne lasu vin influi de aliaj!
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
aŭskulti
La infanoj ŝatas aŭskulti ŝiajn rakontojn.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
renovigi
La pentristo volas renovigi la murkoloron.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
lavi
Mi ne ŝatas lavi la telerojn.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
movi
Estas sana multe moviĝi.
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
eliri
La knabinoj ŝatas eliri kune.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
miksi
Ŝi miksas fruktan sukon.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
protekti
Kasko supozeble protektas kontraŭ akcidentoj.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
ĵeti al
Ili ĵetas la pilkon al si reciproke.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
kunpensi
Vi devas kunpensi en kartludoj.