Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
fire
The boss has fired him.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
burden
Office work burdens her a lot.
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.
depart
The train departs.
vertrekken
De trein vertrekt.
work
The motorcycle is broken; it no longer works.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
lie opposite
There is the castle - it lies right opposite!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
talk badly
The classmates talk badly about her.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
eat
What do we want to eat today?
eten
Wat willen we vandaag eten?
jump
He jumped into the water.
springen
Hij sprong in het water.
cut up
For the salad, you have to cut up the cucumber.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
return
The teacher returns the essays to the students.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
repeat
My parrot can repeat my name.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.