Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
read
I can’t read without glasses.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
discuss
The colleagues discuss the problem.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
like
She likes chocolate more than vegetables.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
ask
He asks her for forgiveness.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
correct
The teacher corrects the students’ essays.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
feel
He often feels alone.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
limit
During a diet, you have to limit your food intake.
sturen
Ik stuur je een brief.
send
I am sending you a letter.
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
demand
He demanded compensation from the person he had an accident with.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
cause
Alcohol can cause headaches.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.