Woordenlijst
Leer werkwoorden – Zweeds
avskeda
Min chef har avskedat mig.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
resa runt
Jag har rest mycket runt om i världen.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
träffa
Ibland träffas de i trapphuset.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
sätta undan
Jag vill sätta undan lite pengar varje månad till senare.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
gå in
Skeppet går in i hamnen.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
trycka
De trycker mannen i vattnet.
duwen
Ze duwen de man het water in.
förlåta
Jag förlåter honom hans skulder.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
förbereda
De förbereder en läcker måltid.
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
hitta vägen
Jag kan hitta bra i en labyrint.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
förbättra
Hon vill förbättra sin figur.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
vänta
Vi måste fortfarande vänta en månad.
wachten
We moeten nog een maand wachten.