Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
explain
Grandpa explains the world to his grandson.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
stand
The mountain climber is standing on the peak.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
prove
He wants to prove a mathematical formula.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
look
Everyone is looking at their phones.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
open
Can you please open this can for me?
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
decipher
He deciphers the small print with a magnifying glass.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
want to go out
The child wants to go outside.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
press
He presses the button.
drukken
Hij drukt op de knop.
send
The goods will be sent to me in a package.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
depart
The ship departs from the harbor.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
trade
People trade in used furniture.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.