Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
reveturi
La patrino reveturas la filinon hejmen.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
transporti
La kamiono transportas la varojn.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
danki
Mi dankas vin multe pro tio!
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
tiri
Li tiras la sledon.
trekken
Hij trekt de slee.
demandi
Li demandas ŝin pri pardonado.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
forlasi
Multaj angloj volis forlasi la EU-on.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
antaŭenigi
Ni bezonas antaŭenigi alternativojn al aŭtomobila trafiko.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
pentri
Mi volas pentri mian apartamenton.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
sendi
Li sendas leteron.
sturen
Hij stuurt een brief.
veturi
La aŭtoj veturas cirklaŭe.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
timi
La infano timas en la mallumo.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.