Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
uitmekaar haal
Ons seun haal alles uitmekaar!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
versorg
Ons seun versorg sy nuwe motor baie goed.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
stel
Jy moet die horlosie stel.
instellen
Je moet de klok instellen.
lei
Hy geniet dit om ’n span te lei.
leiden
Hij leidt graag een team.
word
Hulle het ’n goeie span geword.
worden
Ze zijn een goed team geworden.
oornag
Ons oornag in die kar.
overnachten
We overnachten in de auto.
aktiveer
Die rook het die alarm geaktiveer.
activeren
De rook activeerde het alarm.
uitsterf
Baie diere het vandag uitgesteek.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
ry huis toe
Na inkopies doen, ry die twee huis toe.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
kom uit
Wat kom uit die eier uit?
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
agterlaat
Hulle het per ongeluk hul kind by die stasie agtergelaat.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.