Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
verwag
My suster verwag ’n kind.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
omhels
Hy omhels sy ou pa.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
spring uit
Die vis spring uit die water.
uitspringen
De vis springt uit het water.
verander
Die lig het groen verander.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
stop
Jy moet by die rooi lig stop.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
verteenwoordig
Prokureurs verteenwoordig hulle kliënte in die hof.
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
sien
Jy kan beter sien met brille.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
kyk af
Ek kon van die venster af op die strand afkyk.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
kyk
Sy kyk deur ’n gat.
kijken
Ze kijkt door een gat.
eis
Hy eis vergoeding.
eisen
Hij eist compensatie.
dans
Hulle dans ’n tango uit liefde.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.