Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
praat met
Iemand moet met hom praat; hy’s so eensaam.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
skop
Wees versigtig, die perd kan skop!
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
lei
Hy geniet dit om ’n span te lei.
leiden
Hij leidt graag een team.
vervaardig
Een kan goedkoper met robotte vervaardig.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
bedank
Hy het sy werk bedank.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
vashaak
Ek’s vasgehaak en kan nie ’n uitweg vind nie.
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
aanvaar
Sommige mense wil nie die waarheid aanvaar nie.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
terugbel
Bel my asseblief môre terug.
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
neerskryf
Sy wil haar besigheidsidee neerskryf.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
wag
Sy wag vir die bus.
wachten
Ze wacht op de bus.
oornag
Ons oornag in die kar.
overnachten
We overnachten in de auto.