Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
druk
Boeke en koerante word gedruk.
gaan
Waar is het meer dat hier was heengegaan?
gaan
Waarheen het die meer wat hier was, gegaan?
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
ontslaan
My baas het my ontslaan.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
druk
Die motor het gestop en moes gedruk word.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
roep
Die seun roep so hard soos hy kan.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
gesels
Hulle gesels met mekaar.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
verbygaan
Tyd gaan soms stadig verby.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
beloon
Hy is met ’n medalje beloon.
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
vergewe
Sy kan hom nooit daarvoor vergewe nie!
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
doen vir
Hulle wil iets vir hulle gesondheid doen.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
skop
In vegkuns moet jy goed kan skop.