Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
meng
Sy meng ’n vrugtesap.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
noem
Hoeveel keer moet ek hierdie argument noem?
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
roep op
My onderwyser roep my dikwels op.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
was
Die ma was haar kind.
wassen
De moeder wast haar kind.
vertrek
Die trein vertrek.
vertrekken
De trein vertrekt.
vergesel
Die hond vergesel hulle.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
skryf aan
Hy het verlede week aan my geskryf.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
stem
Mens stem vir of teen ’n kandidaat.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
optel
Ons moet al die appels optel.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
bespreek
Hulle bespreek hul planne.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
lees
Ek kan nie sonder brille lees nie.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.