Woordenlijst

Leer werkwoorden – Portugees (PT)

cms/verbs-webp/91930542.webp
parar
A policial para o carro.
stoppen
De agente stopt de auto.
cms/verbs-webp/108118259.webp
esquecer
Ela esqueceu o nome dele agora.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
cms/verbs-webp/119895004.webp
escrever
Ele está escrevendo uma carta.
schrijven
Hij schrijft een brief.
cms/verbs-webp/117897276.webp
receber
Ele recebeu um aumento de seu chefe.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
cms/verbs-webp/79582356.webp
decifrar
Ele decifra as letras pequenas com uma lupa.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
cms/verbs-webp/132305688.webp
desperdiçar
A energia não deve ser desperdiçada.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
cms/verbs-webp/77572541.webp
remover
O artesão removeu os antigos azulejos.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
cms/verbs-webp/32685682.webp
estar ciente
A criança está ciente da discussão de seus pais.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
cms/verbs-webp/106608640.webp
usar
Até crianças pequenas usam tablets.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
cms/verbs-webp/4553290.webp
entrar
O navio está entrando no porto.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
cms/verbs-webp/64904091.webp
recolher
Temos que recolher todas as maçãs.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
cms/verbs-webp/22225381.webp
partir
O navio parte do porto.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.