Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/63868016.webp
rendre
Le chien rend le jouet.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
cms/verbs-webp/114593953.webp
rencontrer
Ils se sont d’abord rencontrés sur internet.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
cms/verbs-webp/119520659.webp
évoquer
Combien de fois dois-je évoquer cet argument?
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
cms/verbs-webp/74176286.webp
protéger
La mère protège son enfant.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
cms/verbs-webp/117953809.webp
supporter
Elle ne supporte pas le chant.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
cms/verbs-webp/121820740.webp
commencer
Les randonneurs ont commencé tôt le matin.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
cms/verbs-webp/62000072.webp
passer la nuit
Nous passons la nuit dans la voiture.
overnachten
We overnachten in de auto.
cms/verbs-webp/80325151.webp
accomplir
Ils ont accompli la tâche difficile.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
cms/verbs-webp/71260439.webp
écrire à
Il m’a écrit la semaine dernière.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
cms/verbs-webp/118596482.webp
chercher
Je cherche des champignons en automne.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
cms/verbs-webp/110056418.webp
prononcer un discours
Le politicien prononce un discours devant de nombreux étudiants.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
cms/verbs-webp/71612101.webp
entrer
Le métro vient d’entrer en gare.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.