Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
rendre
Le chien rend le jouet.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
rencontrer
Ils se sont d’abord rencontrés sur internet.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
évoquer
Combien de fois dois-je évoquer cet argument?
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
protéger
La mère protège son enfant.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
supporter
Elle ne supporte pas le chant.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
commencer
Les randonneurs ont commencé tôt le matin.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
passer la nuit
Nous passons la nuit dans la voiture.
overnachten
We overnachten in de auto.
accomplir
Ils ont accompli la tâche difficile.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
écrire à
Il m’a écrit la semaine dernière.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
chercher
Je cherche des champignons en automne.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
prononcer un discours
Le politicien prononce un discours devant de nombreux étudiants.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.