Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
uitgaan
Die meisies hou daarvan om saam uit te gaan.
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
gee
Wat het haar kêrel vir haar vir haar verjaardag gegee?
geven
Wat heeft haar vriend haar voor haar verjaardag gegeven?
wys
Ek kan ’n visum in my paspoort wys.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
skep
Hy het ’n model vir die huis geskep.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
kyk af
Sy kyk af in die vallei.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
oornag
Ons oornag in die kar.
overnachten
We overnachten in de auto.
nodig hê
Jy het ’n domkrag nodig om ’n wiel te verander.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
aktiveer
Die rook het die alarm geaktiveer.
activeren
De rook activeerde het alarm.
saamdink
Jy moet saamdink in kaartspelletjies.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
uitvoer
Hy voer die herstelwerk uit.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
stel
Jy moet die horlosie stel.
instellen
Je moet de klok instellen.