Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
partorire
Lei partorirà presto.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
scrivere
Sta scrivendo una lettera.
schrijven
Hij schrijft een brief.
lasciare avanti
Nessuno vuole lasciarlo passare alla cassa del supermercato.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
guardare attraverso
Lei guarda attraverso un binocolo.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
funzionare
La moto è rotta; non funziona più.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
fare
Avresti dovuto farlo un’ora fa!
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
incontrare
Gli amici si sono incontrati per una cena condivisa.
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
visitare
Un vecchio amico la visita.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
entrare
Lui entra nella stanza d’albergo.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
comprare
Vogliono comprare una casa.
kopen
Ze willen een huis kopen.
risparmiare
Puoi risparmiare sui costi di riscaldamento.
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.