Woordenlijst

Leer werkwoorden – Deens

cms/verbs-webp/116519780.webp
løbe ud
Hun løber ud med de nye sko.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
cms/verbs-webp/119613462.webp
forvente
Min søster forventer et barn.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
cms/verbs-webp/92145325.webp
kigge
Hun kigger gennem et hul.
kijken
Ze kijkt door een gat.
cms/verbs-webp/114993311.webp
se
Du kan se bedre med briller.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
cms/verbs-webp/120220195.webp
sælge
Handlerne sælger mange varer.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
cms/verbs-webp/18316732.webp
køre igennem
Bilen kører igennem et træ.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
cms/verbs-webp/5161747.webp
fjerne
Gravemaskinen fjerner jorden.
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
cms/verbs-webp/98977786.webp
nævne
Hvor mange lande kan du nævne?
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
cms/verbs-webp/60395424.webp
springe rundt
Barnet springer glædeligt rundt.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
cms/verbs-webp/123619164.webp
svømme
Hun svømmer regelmæssigt.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
cms/verbs-webp/117890903.webp
svare
Hun svarer altid først.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
cms/verbs-webp/98294156.webp
handle
Folk handler med brugte møbler.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.