Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/28642538.webp
laisser
Aujourd’hui, beaucoup doivent laisser leurs voitures garées.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
cms/verbs-webp/28581084.webp
pendre
Des stalactites pendent du toit.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
cms/verbs-webp/57248153.webp
mentionner
Le patron a mentionné qu’il le licencierait.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
cms/verbs-webp/102238862.webp
visiter
Une vieille amie lui rend visite.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
cms/verbs-webp/82669892.webp
aller
Où allez-vous tous les deux?
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
cms/verbs-webp/30314729.webp
arrêter
Je veux arrêter de fumer dès maintenant!
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
cms/verbs-webp/119379907.webp
deviner
Tu dois deviner qui je suis!
raden
Je moet raden wie ik ben!
cms/verbs-webp/120870752.webp
retirer
Comment va-t-il retirer ce gros poisson?
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
cms/verbs-webp/111792187.webp
choisir
Il est difficile de choisir le bon.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
cms/verbs-webp/122290319.webp
mettre de côté
Je veux mettre de côté un peu d’argent chaque mois pour plus tard.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
cms/verbs-webp/61806771.webp
apporter
Le messager apporte un colis.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
cms/verbs-webp/74036127.webp
rater
L’homme a raté son train.
missen
De man heeft zijn trein gemist.