Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/120509602.webp
pardonner
Elle ne pourra jamais lui pardonner cela!
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
cms/verbs-webp/120220195.webp
vendre
Les commerçants vendent de nombreux produits.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
cms/verbs-webp/91442777.webp
poser le pied sur
Je ne peux pas poser le pied par terre avec ce pied.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
cms/verbs-webp/15353268.webp
presser
Elle presse le citron.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
cms/verbs-webp/115373990.webp
apparaître
Un gros poisson est soudainement apparu dans l’eau.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
cms/verbs-webp/113842119.webp
passer
Le Moyen Âge est passé.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
cms/verbs-webp/102823465.webp
montrer
Je peux montrer un visa dans mon passeport.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
cms/verbs-webp/4553290.webp
entrer
Le navire entre dans le port.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
cms/verbs-webp/127554899.webp
préférer
Notre fille ne lit pas de livres ; elle préfère son téléphone.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
cms/verbs-webp/129300323.webp
toucher
Le fermier touche ses plantes.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
cms/verbs-webp/117311654.webp
porter
Ils portent leurs enfants sur leurs dos.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
cms/verbs-webp/116932657.webp
percevoir
Il perçoit une bonne pension à la retraite.
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.