Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
extrañar
¡Te extrañaré mucho!
missen
Ik zal je zo erg missen!
salir
No salió bien esta vez.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
acostumbrarse
Los niños necesitan acostumbrarse a cepillarse los dientes.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
detener
Debes detenerte en la luz roja.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
entrar
El metro acaba de entrar en la estación.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
perder
Espera, ¡has perdido tu billetera!
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
atravesar
¿Puede el gato atravesar este agujero?
doorgaan
Kan de kat door dit gat gaan?
pintar
Ella ha pintado sus manos.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
ahorrar
Puedes ahorrar dinero en calefacción.
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.
enviar
Me enviarán los productos en un paquete.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
ordenar
A él le gusta ordenar sus estampillas.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.